Het zijn net mensen,
Textiele diersculpturen van Henrique van Putten
De grote kast met stoffen is een schatkist voor Henrique Van Putten. Als kind rommelde ze graag in de lappenmand van haar oma. En op de Albert Cuyp gaat ze door de knieëen voor goudkleurige dubbelweefsels, donkergroen fluweel, stroeve skai of gladde roze chinz. Wat zou je daarvan kunnen maken?
Van Putten begon op de Christelijke Academie in Kampen met een opleiding als schilder, maar toen haar grootmoeder haar een zak met patronen van knuffels gaf, veranderde ze van koers. Oma had voor alle kleinkinderen knuffels genaaid, keurig volgens de boekjes. Nu was ze er klaar mee. Waarop haar kleindochter de patronen voor de poten, koppen, snuiten en oren onbekommerd door elkaar husselde, en zo haar eigen, wonderlijke wezens creëerde. Zo werd Van Putten een beeldhouwer in textiel.
Inmiddels maakt Van Putten haar eigen patronen, die ze baseert op de waarneming van de dieren om haar heen. Ze fotografeert ze, tekent ze en zet ze vakkundig en liefdevol om in soft sculptures.
Het is een klein wonder. Onder haar handen dijt een platte roze lap uit tot levensgroot varken en een driedimensionale nachtmerrie.
Als de patroondelen zijn uitgeknipt, aan elkaar genaaid, opgevuld en in de juiste vorm gemodelleerd zijn, ligt daar opeens een sus domesticus, een gedomesticeerd varken, omstuwd door dertien biggetjes. De jonkies steken nieuwsgierig hun snuitjes omhoog. Ze verdringen zich om te drinken en hun levenslust steekt schril af bij de zeug, die uitgeput is van het baren. Haar kop rust op aarde en het volle gewicht van haar uitpuilende moederlijf zijgt neer, bovenop drie van haar kleintjes. Ze worden verpletterd onder deze moederliefde en zo vloeien geboren worden en sterven onbedoeld in elkaar over…
Toen Van Putten sus domesticus voltooide, schrok ze ervan. ‘Het is pijnlijk om naar te kijken. Je identificeert je met deze diersculpturen, ze herinneren je aan je eigen angsten en verlangens. ‘ Het zijn net mensen en dat is precies de reden dat Van Putten diersculpturen maakt.
Dieren vormen een belangrijk motief in de kunst, van de springende bisons en herten in de grotten van Altamira tot de betonnen Jumbo’s (2000) van Tom Claassen langs de snelweg naar Almere. In de loop der tijd is er veel veranderd in de relatie tussen mens en dier. Werd de mens in de prehistorie bedreigd door het dier, nu zijn de rollen omgedraaid. Dieren zijn gedomesticeerd, dienstbaar gemaakt aan onze behoefte aan voedsel en contact. We kennen dieren als huisdier, of de visualisering daarvan in de massacultuur: in de vorm van knuffel, zacht, aaibaar, dierbaar en bovenal ongevaarlijk. Maar de ‘knuffels’ van Van Putten, als je deze soft sculptures zo mag noemen, zijn wars van sentiment.
Als kind speelde Van Putten tussen de koeien, kippen, varkens, duiven, honden en katten. Beide grootouders hadden een boerenbedrijf in Hoevelaken. Ze groeide op in een christelijk gezin in Nijkerkerveen aan de rand van de Biblebelt en dat heeft haar kijk op het dier en het leven beïnvloed. ‘Ik ben nuchter. Als boer zorg je goed voor je beesten, want dat komt de productie ten goede.’ Met droge ogen observeert ze de vleermuizen, mollen of boomkruipertjes die haar kat Teun trots aan haar voeten legt. ‘ Ze zijn dan nog helemaal gaaf. Dan kun je ze goed bekijken.’ Van Putten is gefascineerd door dieren. Ze gaat nooit zonder camera op pad. Dag na dag fotografeert ze hun grote variatie aan vormen en houdingen, van de klitten in een schapenvacht tot een doorzichtig dooraderd poezenoor. Van een plassend lam, een geit met knikkende knieën of een dode rat, liggend op zijn rug, met zijn achterpootjes genoeglijk over elkaar geslagen.
Van Putten observeert ook hoe dieren met elkaar omgaan, net als Bert Haanstra deed in zijn bekende film ‘Bij de beesten af (1972).’ Dieren zijn levende wezens net als wij, vreemd en vertrouwd tegelijk. Ze houden ons een spiegel voor. In het dier zien wij onszelf.
’Dieren doen gewoon wat ze doen, zonder morele overwegingen. Die simpelheid is geweldig,’ zegt Van Putten, maar zo simpel is dat voor ons mensen niet. Wij kunnen, nee, wij moeten keuzes maken, maar wat is goed en wat is fout? Wat is positief en wat is negatief? De vragen die haar als christen bezighouden, verpakt Van Putten in dubbelzinnige sculpturen.
Zo maakte ze een sculptuur van een liggende roodschimmel, die zich ondanks zijn opgezwollen hoeven, met al zijn kracht probeert op te richten. Is dit een ode aan de drang om te overleven? Het staartje van een okergele hond - of zijn het er twee?- priemt triomfantelijk in de lucht boven een woud van poten. Is dit humoristische beeld een stelletje, aaneengesmeed tijdens de liefdesdaad, of een teef die puppies baart? De vacht van een zwart lam wordt overwoekerd door zilverkleurige gezwellen. Er pikt een vogeltje aan. Verlicht het vogeltje de pijn? Of verwondt hij het lam?
Het motief van het vogeltje is ontleend aan Het boek over vogels. De zogenaamde ossenpikker verwijdert parasieten uit de vacht van buffels. Buffel en ossenpikker hebben elkaar nodig. De ossenpikker bevrijdt zijn gastheer van dit ongedierte, maar hij is ook dol op bloed en houdt de wond langer open. Het lam verwijst naar het Lam God’s, dat centraal staat in het befaamde Gentse altaarstuk van de gebroeders Van Eyck (1432). Het symboliseert het offer van Jezus, ter vergeving van onze zonden. Of is het een zwart schaap, met alle associaties van dien? Vragen, vragen, vragen. Met haar ambivalente sculpturen zet Van Putten de kijker aan het denken. Tussen zwart en wit zijn vele grijzen. Simpele antwoorden zijn er niet.
Anne Berk
2 november 2010
